Weerbare organisatie

Binnen het thema weerbare organisatie gaan we ervan uit dat optimale psychosociale hulpverlening bij ingrijpende gebeurtenissen samenhangt met de veerkracht van het betrokken individu en zijn sociale omgeving/netwerk.

We richten ons op drie kernpunten, die in elkaars verlengde liggen:

1.  het begrijpen, benutten en ondersteunen van veerkracht

Het concept Veerkracht verdient (nog steeds) verdere uitwerking op zowel theoretisch vlak (waar hebben we het over) als in meer concrete vorm (wat moeten we doen en laten?). Een te ontwikkelen model moet twee basale zienswijzen combineren, te weten. (a) veerkracht als uitkomst (na een incident ‘terugveren’ naar een bepaald niveau) en (b) veerkracht als proces (wat verstrekt veerkracht?). Bij dit laatste ligt een preventieve ingang, maar ook de noodzaak de beperkingen van veerkracht zichtbaar te maken. Het model moet aansluiten bij (inter)nationale ontwikkelingen en op verschillende niveaus, met name individu en organisatie.

2.  het signaleren wanneer veerkracht ontoereikend is

Soms zijn de eigen hulpbronnen niet meer afdoende om met een tegenslag om te gaan. Dan is aanvullende hulpverlening nodig. Belangrijk is dit te kunnen signaleren, zowel voor individuele getroffenen zelf als voor diens omgeving, hulpverlenende instanties en overheden. Er bestaan diverse instrumenten die screenen op (trauma)klachten na een schokkende gebeurtenis. Dit is belangrijk, maar naast de risicofactoren moeten ook bronnen en capaciteiten in kaart worden gebracht. Veerkracht ontstaat immers uit een balans tussen risicofactoren/stressoren en hulpbronnen/motivatoren.

3.  het versterken van veerkracht en indien nodig bieden van verdere ondersteuning

Het is  belangrijk de aansluiting van veerkracht bij verwante thema’s te maken, en identificatie met tijdige en juiste (door)verwijzing te borgen. Aansluiting dient gevonden te worden bij verwante gebieden binnen het traumaveld; welke zorgverlening op maat kunnen we bieden? Hoe kan veerkracht tijdens het zorgtraject versterkt worden zodat goede effecten ook na het zorgtraject beklijven en/of tijdige detectie plaatsvindt als er aanvullend of opnieuw professionele hulp nodig is?