Gezondheidsonderzoek in context; terugblik kenniskring GOR

1 juni 2016

“De roep om meer gezondheidsonderzoek is veel gehoord. Bestuurders oefenen druk uit. Maar van tevoren weet je al dat het geen enkele zinvolle uitkomst zal opleveren. Hoe ga je hiermee om?”

Dit was één van de dilemma’s die naar voren kwamen in de Kenniskring Gezondheidsonderzoek na Rampen (GOR) en Psychosociale Hulpverlening (PSH), donderdag 16 juni bij het RIVM. 
De ruim 50 deelnemers aan de bijeenkomst luisterden naar presentaties over drie actuele casussen: onderzoek na de aanslagen in Brussel, het monitoren van kinderen die getuige waren van een liquidatie in Zaandam (2015), en de dilemma’s rond gezondheidsonderzoek onder omwonenden die te maken hebben gehad met de uitstoot van PFOA door Dupont, een fabriek in Dordrecht.

Elk jaar organiseren Impact en RIVM voor GGD’en en hun ketenpartners vier kenniskringen rond gezondheidsonderzoek en/of psychosociale hulpverlening. Het accent lag deze keer op gezondheidsonderzoek, waarbij vooral aandacht was voor de invloed van de context waarbinnen het onderzoek plaatsvindt. Regelmatig spelen na een incident bijvoorbeeld tijdsdruk en media-aandacht een grote rol en hebben onderzoekers te maken met verschillende wensen vanuit politiek, maatschappij, belangenverenigingen, etcetera. Deze spanningen werden goed zichtbaar in de casus Dupont. In haar presentatie schetste epidemioloog Chantal Kenens (Dienst Gezondheid en Jeugd Zuid-Holland Zuid) een complex samenspel van onderzoekers, burgers, media, bestuurders, actiegroepen, advocaten en commerciële partijen. Met de deelnemers besprak ze de dilemma’s die dat oplevert. Als mensen ongerust zijn, moeten ze dan de mogelijkheid hebben om zich te laten testen? Is dat wel zo geruststellend als de resultaten niet geduid kunnen worden? Ook door een goede informatievoorziening en een luisterend oor voor de vragen van de omwonenden, kan ongerustheid afnemen, liet Kenens zien.
    De context van een ramp stelt ook in methodisch opzicht vaak voor complicerende factoren en beperkingen, bijvoorbeeld in het definiëren, vinden of benaderen van de onderzoeksdoelgroep. De presentatie door prof. Reginald Deschepper van de Vrije Universiteit Brussel illustreerde dit. Doordat ze met de onderzoeksgroep Mental Health and Wellbeing al sinds de aanslagen in Parijs bezig waren met het ontwerpen van een vragenlijst over de impact van dreiging op gezondheid, konden ze een week na de aanslagen in Brussel een online onderzoek in drie talen uitzetten.. Dankzij de media-aandacht voor het onderzoek wisten veel mensen de link naar de vragenlijst te vinden, maar over de representativiteit zijn geen uitspraken te doen. Het is daarmee vooral een exploratief onderzoek. Daarnaast is het een momentopname – er zijn geen vergelijkbare gegevens over de situatie vóór de aanslagen of langere tijd erna. Wel legt het de basis voor vervolgonderzoek, dat voor de komende twee jaar gepland staat.
Epidemioloog Martine Mulder en PSH-procesleider Ghislaine van Nooijen Kooij (GGD Zaanstreek-Waterland) bespraken hun aanpak na een liquidatie voor de ogen van schoolkinderen. Het incident vond plaats kort voor de zomervakantie in 2015. In de week na het incident zijn leerkrachten ondersteund in het omgaan met de reacties van kinderen, maar daarna verdwenen de kinderen door de vakantie enkele weken uit het zicht. Na de vakantie bleek het incident bij verschillende kinderen nog wel te leven. Vanuit de GGD is toen gekeken of het zinvol was om de reacties van de betrokken kinderen te monitoren en of dit op korte termijn te organiseren zou zijn. Het bleek het beste te werken om hulpvragen op te pikken door aan te sluiten bij de reguliere contactmomenten met bijvoorbeeld een schoolarts, en bij de observatieformulieren die deze school gewend is te gebruiken.
Naast de presentaties bood de Kenniskring gelegenheid om contacten op te doen of aan te halen. Verschillende deelnemers blikken tevreden terug. “Het was interessant en relevant voor mijn werk. En leuk dat het zulke verschillende casussen waren.”