Terrorisme en PSH

Een terroristische aanslag is een bijzonder ingrijpende gebeurtenis. De impact van terrorisme op het individu en de maatschappij is groot en heeft gevolgen voor de manier waarop de psychosociale hulpverlening wordt uitgevoerd. Hieronder lees je wat terrorisme is en welke psychosociale gevolgen dit heeft. 

Snel naar:

 

Wat is terrorisme?

De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) legt terrorisme uit als:

Het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.

In internationale wetenschappelijke literatuur worden de volgende aspecten van terrorisme benadrukt:

  1. de aanval is gericht op het bereiken van een politiek, economisch, religieus of sociaal doel
  2. er is sprake van een intentie tot intimidatie, tot het uitoefenen van dwang, of het uitdragen van een boodschap naar een groter publiek dan de onmiddellijke slachtoffers
  3. de actie bevindt zich buiten de context van legitieme oorlogsactiviteiten.

Terrorisme bevat dus altijd een moedwillig aspect, extreem geweld en richt zich op het bereiken van een bepaald politiek of ideologisch ideaal. Terrorisme kan uit verschillende hoeken komen, bijvoorbeeld rechts- of links-extremisme. Tegenwoordig gaat de grootste dreiging uit van een mondiale politiek-religieuze strijd: het jihadisme. Bovendien is door het uiteenvallen van Islamitische Staat de dreiging van extreem geweld met een terroristisch motief door eenlingen toegenomen. Aanslagen zoals die op de kerstmarkt in Berlijn (19 december 2016) of de Westminster Bridge in Londen (22 maart 2017) zijn daardoor reëel. De NCTV bericht regelmatig over het dreigingsbeeld in Nederland via het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN).

 

 

Is de psychosociale hulpverlening anders bij terrorisme? 

De uitgangspunten van de Multidisciplinaire richtlijn psychosociale hulp bij rampen en crises gelden bij een aanslag nog net zo goed. Toch vormen het moedwillige aspect, het extreem geweld en de politieke of ideologische lading een specifieke context die bijzondere eisen stelt aan de PSH. Ook is er bij een aanslag een specifiek wettelijk kader, of eigenlijk meerdere wettelijke kaders.

Wettelijke kaders. Een terroristische aanslag is een vorm van extreem geweld. In de respons en nafase komen daardoor twee kaders samen: dat van strafrecht (en slachtofferzorg) en crisisbeheersing (en bevolkingszorg en psychosociale zorg). Elk kader heeft eigen wetgeving en processen. Wat betreft de strafrechtelijke kant is sinds maart 2017 de EU richtlijn 2017/541 van kracht. In hoofdstuk V wordt ingegaan op Bepalingen inzake de bescherming en ondersteuning van terrorismeslachtoffers en hun rechten. Dit is een verdiepende aanvulling op de Richtlijn schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven van 2004 en de Richtlijn Slachtofferrechten van 2012. In deze richtlijn zijn minimale standaarden vastgelegd voor rechten van misdrijfslachtoffers: 

  • gelijke rechten voor nabestaanden en overlevenden; 
  • recht op begrijpelijke interactie en informatie (die aansluit bij taal en niveau van de slachtoffers);
  • recht op ondersteuning die aansluit bij de individuele behoeften; 
  • recht op een actieve rol in de vervolging en berechting van daders; 
  • recht op bescherming. 

De Richtlijn Slachtofferrechten is gericht op erkenning, respect en rechtvaardigheid. De aanvullende richtlijn voor terrorismeslachtoffers benadrukt daarbij nog de bijzondere positie die slachtoffers van een terroristische aanslag hebben omdat het geweld waarvan zij slachtoffer waren gericht was tegen de maatschappij als geheel. De processen van bevolkingszorg en van psychosociale hulp bij rampen in het kader van de crisisbeheersing, kennen als wettelijk kader de wet op de veiligheidsregio’s en de wet op de publieke gezondheid. Hierin wordt minder concreet ingegaan op de inhoud van deze processen; hiervoor geldt de Multidisciplinaire Richtlijn psychosociale hulp bij rampen en crises als standaard.

Praktisch betekent dit:

  • Er moet samengewerkt worden vanuit verschillende perspectieven, kaders en disciplines, regie van meerdere kanten. Zie ook Rijk en Regio. Processen kunnen elkaar versterken: de inzet van familierechercheurs en casemanagers in het kader van het strafrechtelijk proces, draagt vaak ook bij aan goede psychosociale ondersteuning.
  • Het bieden van de in de EU Richtlijn bepaalde zorg aan slachtoffers is een plicht voor de lidstaten. Dat resulteert in een proactieve manier van aanbieden om er zeker van te zijn dat iedereen bereikt wordt.
  • Er wordt gewerkt met verschillende opvattingen en benaderingen van ‘slachtoffer’: slachtofferzorg (gekoppeld aan strafrecht) richt zich op iedereen die volgens juridische definitie slachtoffer is (direct betrokkenen en familieleden van overledenen), bevolkingszorg richt zich daarnaast primair op niet- en verminderd zelfredzamen en publieke gezondheid richt zich op iedereen die potentieel gezondheidsklachten ontwikkelt gerelateerd aan de aanslag.
  • Het delen van gegevens van slachtoffers tussen de verschillende disciplines onderling is complex omdat er verschil zit in het doel waarmee gegevens zijn verzameld en er wettelijke kaders bestaan voor uitwisseling.
  • Slachtofferhulp Nederland heeft binnen alle drie de processen een rol als ketenpartner maar met verschillende taken en positie.

Behalve dat het bij een aanslag dus van groot belang is dat PSH coördinatoren en hulpverleners zich er bewust van zijn dat ze werken in een context van breed gevoelde impact en een complex samenspel van partners, komen uit de lessen uit het buitenland ook een aantal andere uitdagingen naar voren die PSH na een aanslag net even anders maken. Deze worden verder toegelicht onder uitdagingen